In het kader van de opbouw van een Europese concurrerende kenniseconomie, heeft de Europese gemeenschap zich in de Lissabon-agenda het doel gesteld om 50% participatie hoger onderwijs te realiseren. Het gaat daarbij uiteindelijk om afgestudeerden, dus naast een verhoging van de instroom is ook studiesucces, waaronder het voorkomen van studie-uitval en vertraging van belang. Wrang genoeg, bleek er ten tijde van het afsluiten van deze akkoorden er in Nederland een scheefgroei in de aansluiting VO-HO te ontstaan voor wat wiskunde betreft.
| opleiding | cohort | aantal studenten | voldoende 1ste tentamen wiskunde |
|---|---|---|---|
| RUG | 2007 | 159 | 25% |
| UU-scheikunde | 2006 | 83 | 25% |
| UM-IB | 2006 | 1030 | 47% |
| TUD-EWI | 2007 | 354 | 37% |
| Fontys-TN | 2007 | 48 | 40% |
| UU-economie | 2007 | 262 | 38% |
Rendementen staan onder druk. Bij de UvA slaagt in de opleiding scheikunde van het oude cohort 2003 meer dan 80% voor het vak Calculus 1, in het jaar 2004 is dat voor het nieuwe cohort niet meer dan 45%. Bij de opleidingen wiskunde en natuurkunde is dit effect minder geprononceerd, omdat juist de instroom in die vakken over hoge wiskundecompetenties beschikt. Maar het effect is wel aanwezig (ca 13% voor alle exacte wetenschappen). Bij de TU/e zijn het juist de technische vakken waarbij de rendementen van het eerste wiskundevak sterk onder druk zijn komen te staan (slagingspercentages in 2007 van 21% tot 51%). De meer natuurwetenschappelijke vakken blijven beter overeind, maar kampen ook met rendementsdaling.
Studievertraging treedt op. Bij de UvA is het aantal herkansingen van het wiskundevak Calculus 1 omhoog gegaan. Was er in 2003 één herkansing voldoende om een voldoende rendement te halen, in 2006 zijn er 5 herkansingen georganiseerd om de studenten voldoende gelegenheid te geven voor het vak te slagen. Voor een student die zo vaak moet herkansen voor een 1ste jaars sleutelvak is daarna het behalen van het Bachelordiploma in drie jaar bijkans onmogelijk. Een opleiding in deze disciplines is als een trein die vertrekt. Je kunt nog zo hard hollen, maar als de trein vaart heeft, is inhalen en op het balkon springen er niet bij.
Wat is er aan de hand? Eind vorige eeuw zijn er grote wijzigingen bij het voortgezet onderwijs doorgevoerd: de basisvorming, invoering van profielen in de vakkenpakketten, opkomst van het studiehuis, grotere rol van contexten in het wiskundeonderwijs, en invoering van grafische rekenmachine en formulekaart in het wiskundeonderwijs. Deze onderwijsvernieuwingen hebben hun eigen merites, maar toch raakte hierbij onbedoeld bij de leerling de opbouw van algebraïsche vaardigheden ondergesneeuwd. Het hoger onderwijs leunt in het begin van de studie sterk op die algebraïsche vaardigheden, en begint te morren. In 2004/2005 worden er op veel opleidingen entreetoetsen afgenomen, met zeer negatieve resultaten die de pers halen. In de discussie die volgt blijkt hoe groot de kloof is tussen VO en HO. Sinds die tijd is bij bijna alle hoger onderwijsinstellingen het instellingsbeleid er mede op gericht om deze problematiek aan te pakken. Op veel plaatsen worden initiatieven genomen om dit aan te pakken (zie hieronder).
De politiek geeft een duidelijke aanwijzing dat de algebraïsche vaardigheden weer helder terug moeten komen. Dit wordt meegenomen door de vernieuwingscommissie wiskunde (cTWO) en de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO). Het gaat echter nog zeker circa acht jaar duren, voordat de vernieuwing van 2010 anders opgeleide studenten gaat aanleveren. Ondertussen blijkt dat de aansluiting VO-HO zeker niet de enige problematische. Ook MBO-HBO, en Bachelor-Master vooral voor de HBO en de internationale instroom hebben last van aansluitingsproblematiek.
Hoewel de ontevredenheid duidelijk aanwezig is, is de probleemanalyse nog niet rond in de zin dat we exact weten waarom de aansluiting niet goed is. Betreft het inhoud, didactiek, leeromgeving, inzet grafische rekenmachine, of een combinatie van deze aspecten? In het afgelopen project NKBW is daarom een onderzoeksagenda voorgesteld om beter te begrijpen wat er op de cruciale dimensies van de aansluiting speelt. Uit de verkennende onderzoeken bij NKBW blijkt wel dat de problemen met name liggen bij het beheersen van bepaalde vaardigheden. De kennis is in de 5 of 6 jaar VO wiskunde wel aangeboden, echter het oefenen en op peil houden van de basisvaardigheden schiet tekort. De onderzoeksagenda is bedoeld om richting te geven aan mogelijke onderzoeksaanvragen en –projecten op het terrein van algebraïsche vaardigheden. Bij dit project beperkt het onderzoek zich tot evaluatie en monitoring.
De Onderwijsraad heeft zich in een aantal adviezen over doorstroom en aansluiting gebogen. Daarin is met name geconstateerd dat bij de vakken Nederlands, Engels en wiskunde problemen liggen. Uit het advies Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008, citeren we het volgende.
"De raad wil dat het vwo, het havo, het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs samen afspreken wat de aanvangsniveaus zijn voor opleidingen in het hoger onderwijs. Deze ‘afspraak aanvang hoger onderwijs’ wordt uitgewerkt in een geheel van toetsen dat be- schikbaar is via internet. Studenten kunnen zelf daarmee precies nagaan of zij over de vereiste basisbagage beschikken en zich, zo nodig, bijscholen. Het initiatief voor de garantie voor een goede inhoudelijke aansluiting via de afspraak aansluiting hoger onderwijs ligt bij de vijf hierboven genoemde partijen, de minister heeft een stimulerende en een kwaliteitsbewakende rol. Tekorten kunnen via zomerscholen worden weggewerkt."
Dit project wil een dergelijke collectie toetsen ontwikkelen als resultaat van de convergentie VO en HO. Dit wordt een belangrijk ijkpunt voor beide partijen en kan als startpunt dienen voor de “Afspraak Aanvang Hoger Onderwijs” die de Onderwijsraad bepleit.