In: Grijze Literatuur in een Netwerk-omgeving, 2e Nederlandse Symposium over Grijze Literatuur (13 september 1996 KNAW, Amsterdam). De volledige tekst van dit symposium is te vinden via URL http://www.konbib.nl/infolev/greynet/home.html

De grijze literatuur en de nieuwe taken voor de wetenschappelijke uitgeverij

Joost Kircz
Elsevier Science Nederland, Postbus 103 1000 AC Amsterdam en
Van der Waals-Zeemanlaboratorium, Valckenierstraat 65-67 1018 XE Amsterdam.
kircz@phys.uva.nl; home page: http://www.wins.uva.nl/projects/commphys/home.htm

Inleiding

De term grijze literatuur geeft zelf al aan dat haar beoordeling en behandeling geen wit-zwart probleem is. We gaan ervan uit dat witte literatuur in de meest simpele vorm die literatuur is die door een uitgever beoordeeld, geredigeerd en openbaar wordt gemaakt. Grijze literatuur is al die literatuur die wel een zekere certificatie heeft (bijvoorbeeld rapportliteratuur van een technisch instituut), maar niet door een uitgever wordt uitgegeven. Zwarte literatuur is die literatuur die in principe bij de maker zelf blijft en hooguit op individuele basis wordt verspreid. Zoals zo vaak met moeilijk te definiëren problemen helpt het om eerst de makkelijke gevallen, de zwarte en de witte literatuur, in kaart te brengen. Daarna zal geprobeerd worden om beide uitersten tot elkaar te brengen in het grote grijze gebied. Als resultaat zullen wij zien dat bepaalde grijze eilanden uit het landschap omhoog rijzen, die met goede wil gewit kunnen worden.

De witte literatuur en de uitgeverij

Voor het goede begrip is het nuttig om eerst nog eens duidelijk de functies van de uitgeverij op een rij te zetten. Aan de hand van deze lijst functies kunnen wij dan makkelijk het zwarte gebied afgrenzen en het grijze gebied betreden.
De wetenschappelijke uitgeverij functioneert als het doorgeefluik van de wetenschappelijke keuken naar het wetenschappelijk restaurant. In de keuken (de universiteitsinstituten, de overheidslaboratoria, de industriële onderzoeksafdelingen, enz.) wordt wetenschap bedreven en worden de resultaten daarvan opgeschreven. Wij kunnen ervan uitgaan dat ieder manuscript door de auteurs van belang en in principe geschikt voor verspreiding wordt geacht. Het bijzondere van wetenschappelijke literatuur is nu dat alle koks en kokkinen na gedane arbeid, of als ze tussendoor een geweldige trek krijgen in een informatie-snack, zelf de gasten zijn van het restaurant. Daar bestuderen zij (de al dan niet geheel geautomatiseerde) menukaart en maken een keuze. Veel van de gerechten komen uit eigen, of nabij gelegen keuken en de naar kennis hongerende wetenschapper weet direct wat hij of zij aan een zeker product heeft. In veel gevallen echter is er juist behoefte aan de bevrediging van een behoefte die niet bekend is. De restaurantbezoeker vertrouwt er dan op dat de op de menukaart genoemde zaken, vaak met een onbekende naam en uit onbekende streken, van goede kwaliteit zijn, een hoge intellectuele voedingswaarde hebben en de moeite van het bestellen waard zijn. De naam van het restaurant en de kok zijn daar garanties voor.

Er zijn echter nog meer bezoekers in het restaurant. Een belangrijke groep zijn de financiers en organisatoren van het wetenschappelijke bedrijf. Allemaal mensen die zelf geen wetenschap bedrijven, er vaak nauwelijks in geïnteresseerd zijn, maar wel de maag willen vullen en waar voor hun geld willen zien. Vaak meer nog dan voor de wetenschapper zelf, zijn zij het die het restaurantkeurmerk, het aantal sterren in de beoordelingsgids (de impact-parameter), als enige norm tot handelen hebben. De kost mag dan wel een rare naam hebben en de smaak volstrekt onbekend, het feit dat het op de menukaart staat van, in mijn geval Elsevier Science, betekent dat het goed is. Einde discussie. Deze restaurant-metafoor zullen wij in het vervolg nog tegenkomen.

Formeel kunnen wij de functies en taken van de uitgeverij als volgt samenvatten.

Hoewel de klassieke uitgeverij het hierbij kon laten, breiden de functies van de uitgeverij in het elektronische tijdperk zich uit richting indexeringsdiensten en permanente beschikbaarheid (de bibliotheekfunctie). De ontsluiting van materiaal, dat vroeger plaatsvond door een wandeling langs de planken met nieuwe uitgaven in de instituutsbibliotheek, vindt nu veel efficiënter plaats via elektronische aankondigingen. We kunnen nu dan ook twee nieuwe functies voor de uitgeverij aangeven:

Alvorens over te gaan op de zwarte literatuur, eerst nog een waarschuwing. Op dit moment wordt er op Internet een enorme discussie gevoerd over het mogelijk einde van de wetenschappelijke uitgeverijen. Dit heeft niets te maken met grijze of witte literatuur. Iedereen die een gat in de markt ziet door elektronisch uit te geven (al dan niet door "sky-writing") voegt zich tot het legioen van uitgevers en zal de hierboven genoemde functies moeten aanspreken. Het kan best zo zijn dat enkele nieuwe initiatieven zullen slagen en zich een plek veroveren in de uitgeverswereld, en dat enkele gevestigde bedrijven het lootje zullen leggen. Dit is echter normaal in een periode van technologische verandering en voegt noch iets toe en doet noch iets af aan de principes van het wetenschappelijk uitgeven. Nieuwe initiatiefnemers, zo goed als gevestigde uitgevers, zullen de functies van de uitgeverij zorgvuldig binnen de nieuwe technologische kaders moeten herijken en waarmaken.

De zwarte literatuur en de uitgeverij

In het geval van de zwarte literatuur gaat per definitie alles buiten de uitgeverij om. Hiermee is de kous echter niet af, omdat veel zwarte literatuur bijna grijs is. Als definitie voor echt zwarte literatuur wil ik hier alleen de puur persoonlijke producten van een individu aanmerken. Het dagboek, de geheime en gecodeerde aantekeningen van de alchimist, de thuis gemaakte video en de privé-aantekeningen.
Toch is het zo dat veel van deze zuivere privé-literatuur in de loop van de tijd langzaam kleur krijgt. Dagboeken worden na de dood van een beroemdheid (en vaak eerst nog na de dood van diens weduwe of weduwnaar en kinderen) toch gepubliceerd. Aantekeningen van grote wetenschappers zijn grondstof voor wetenschapshistorici.
Zelfs persoonlijke gesprekken en correspondentie die nooit bedoeld was om openbaar te maken kunnen nog een flinke uitgeefkluif betekenen, denk maar aan de tapes van de Amerikaanse president Nixon en de banden die de Engelse geheime dienst maakte van de gesprekken van gevangengenomen Duitse wetenschappers in Farm Hall in 1945. Voor een uitgever geldt eigenlijk dat alles wat hij niet kent zwart is en alles wat hij kent potentieel uitgeefbaar is. Specifiek voor de wetenschappelijke uitgeverij is er nog een extra én groot zwart gebied. De enorme militaire onderzoeksinspanningen als mede een groot deel van de industriële research blijven gesloten voor het publiek.

De grijze literatuur

Nu wij uitvoerig zijn ingegaan op de witte literatuur en de 'echte' zwarte literatuur bestempeld hebben als onbekend voor de uitgever, komen wij bij het enorme tussengebied van de grijze literatuur. Ik wil dit grote gebied indelen in soorten wetenschappelijke informatie die naar kleurschakering steeds zwarter worden. We beginnen dus met de eenvoudige stukken en gaan dan steeds verder om te zien of er voor de uitgeverij nog een rol te spelen is.

  1. Rapportliteratuur.
    Binnen de wetenschappelijke wereld bestaat een enorme rapportliteratuur. De rapporten kunnen bestaan uit apparatuurbeschrijvingen, trendanalyses, beoordelingsrapporten over personen en onderzoeken, enz. enz. Een belangrijk aspect van rapportliteratuur is dat deze vaak door de instituten in beperkte oplage beschikbaar wordt gesteld. Met name apparatuurbeschrijvingen kunnen zeer uitgebreid en gedetailleerd zijn. Een instituut dat een apparaat bouwt, gaat niet over een nacht ijs. Vandaar dat de beoordelings- en certificatiefunctie hier volledig vervuld is, binnen de criteria van de openbaarmakende instantie. Er is geen andere reden dan dat er maar een zeer beperkte lezersmarkt is, waarom dit soort technische rapporten niet door een uitgever aan de markt beschikbaar gesteld wordt. In het verleden betekende dit een enorm voorraadsprobleem (wanneer komt de klant die het ontwerp voor de eerste, en reeds weer afgebroken, deeltjesversneller van CERN wil hebben, of het ontwerp van de nooit afgebouwde kerncentrale in Kalkar?). In het elektronische tijdperk verandert dit fundamenteel. Alle technische rapporten van enige waarde kunnen, zonder buitensporige investeringen, in digitale vorm op het uitgeversmenu komen. Het enorme bijkomende voordeel is zelfs dat overal waar in de witte literatuur naar een rapport verwezen wordt, en in experimentele vakken wil dat nog wel eens het geval zijn, dit rapport dan ook voor de lezer is op te vragen. Het beheer van deze rapporten hoeft niet eens bij de uitgever te liggen; de uitgever kan als doorgeefluik (gate-way) dienen. Het kwaliteitskenmerk van het rapport is gegeven door de producerende instantie, terwijl het kwaliteitskenmerk van de uitgever als bron voor goede en relevante informatie in waarde toeneemt. Mutatis mutandis geldt dit natuurlijk ook voor andere serieuze rapportliteratuur. Wat mij betreft zal het merendeel van de rapportliteratuur binnen de komende decennia geïntegreerd worden met de traditionele wetenschappelijke tijdschriftliteratuur.
  2. Proefschriften en scripties.
    Klassieke voorbeelden van grijze literatuur zijn proefschriften en scripties. Ook hier hebben we te maken met werken die door hun omvang en detaillering meestal niet als boek of overzichtsartikel uitkomen. Ook hier is het meer een probleem van de afnemersmarkt dan een fundamenteel uitgeefprobleem. Al deze werken zijn beoordeeld door een of meer wetenschappers. In het geval van proefschriften staat de beoordelingscommissie er met naam en toenaam in. In de technische wetenschappen is het tegenwoordig al normaal dat een proefschrift bestaat uit een bundeling van reeds gepubliceerde artikelen met een min of meer uitvoerige inleiding die een en ander aan elkaar praat. Ook hier geldt thans dat de uitgever zonder veel investeringen een gegevensbank voor proefschriften kan beginnen en deze kan exploiteren. Hierbij, en dat is dan een nieuw aspect, laat de uitgever het werk niet nogmaals beoordelen, maar vermeldt naast de titel en auteur ook de universiteit, faculteit en beoordelingscommissie. Wij hebben hier niet meer te maken met anonieme "peer-review", maar met een volstrekt open en publiek publicatiesysteem. Iedere lezer kan zelf (via een literatuur-zoekopdracht) nagaan of de faculteit in kwestie of de leden van de begeleidingscommissie serieuze wetenschappers zijn (bijvoorbeeld omdat ze zelf allemaal in toptijdschriften publiceren). Zo goed als dat de lezer van een tijdschriftartikel op het goede fatsoen van de redacteur en de anonieme referent moet vertrouwen, zal ook hier de lezer het vertrouwen moeten hebben dat het proefschrift terecht is goedgekeurd. Als extra stok achter de deur is daar dan nog dat de leden van de beoordelingscommissie tot het einde der tijden ter verantwoording zijn te roepen door een teleurgestelde lezer.
  3. Databestanden.
    Veel instituten en instellingen beheren enorme hoeveelheden data (denk aan astronomische, seismografische of weerkundige gegevens, of de ruwe meetgegevens van een groot experiment). Al deze gegevens leiden, in principe, tot de publicatie van artikelen in de primaire literatuur. Het ligt dus voor de hand (en het gebeurt al in beperkte mate) dat deze bestanden gekoppeld worden aan wetenschappelijke tijdschriften. Auteurs kunnen dan doorverwijzen naar de relevante gegevens, zodat lezers ook de mogelijkheid hebben om zelf in de omgeving van de gerapporteerde gegevens rond te neuzen. De kwaliteit van de wetenschappelijke discussie zou hier zeker bij gebaat zijn. De rol van de uitgever is er dus met name een van makelaar tussen deze grote bestanden en de auteurs en lezers van de elektronische versie van hun tijdschriften. Naast de door de uitgeverskeuken klaargezette artikelen, staan er nu ook diverse soorten sausen, strooisels en andere ingrediënten op tafel.
  4. "Pre-prints"
    Binnen verschillende vakgebieden is het gewoonte geworden om tegelijkertijd met het opsturen van een artikel naar een wetenschappelijk tijdschrift een aantal kopieën van het manuscript, pre-prints in het jargon, rond te sturen. Met name in de hoge-energiefysica heeft dit systeem een hoge vlucht genomen. In onderzoekscentra als CERN in Genève en SLAC bij San Fransico ontstonden enorme archieven van pre-prints. Een belangrijke nevenfunctie van deze archieven is om aan te geven of een pre-print wel of niet ergens is gepubliceerd en wat de exacte bibliografische gegevens dan zijn. Zo ontstond naast de pre-print-index ook een "anti-preprint"-index. Veel wetenschappers hebben de pre-print gelezen, maar als bibliografische verwijzing in hun eigen werk moet natuurlijk de uiteindelijke officiële vindplaats gemeld worden. Om een indruk te geven van de omvang van deze informatiestroom is het goed te weten dat in het begin van de jaren negentig er door de drukkerij van CERN ongeveer 600 pre-prints werden gedrukt die bijna allemaal naar de ongeveer 800 hoge-energiefysica researchgroepen in de wereld werden gestuurd. Pre-prints zitten precies in het midden van het grijze gebied en vormen op dit moment het centrale thema in veel discussies over elektronisch publiceren. Pre-prints worden namelijk op dit moment niet gedrukt en rondgestuurd. De pre-prints van bijvoorbeeld het reeds genoemde CERN staan klaar in een daarvoor bestemde database en zijn vrij beschikbaar voor iedereen die via een netwerk bij de CERN computer binnenkomt. Met name in navolging van het initiatief van de deeltjesfysicus Paul Ginsparg ontstaan er nu in veel vakgebieden geautomatiseerde bestanden waar auteurs pre-prints naar toesturen in elektronische vorm, die dan direct via het World-Wide-Web interface op Internet beschikbaar zijn. Het spreekt natuurlijk voor iedere auteur zeer tot de verbeelding dat een artikel direct wereldwijd beschikbaar is voor de wachtende lezer (als die er is). Deze archieven groeien enorm en zijn buitengewoon nuttig voor lezers die snel de laatste ontwikkelingen willen weten.
    Onmiddellijk zien wij wel al de natuurlijke limieten van deze doorbraak. De stroom informatie is bijzonder groot en ongefilterd. Auteurs kunnen nieuwe versies moeiteloos toevoegen, zonder dat oude versies verdwijnen (als de lezer de oude al heeft, moet hij/zij wel net toevallig zien dat er een nieuwe versie is), rijp en groen staan door elkaar, er is geen anti-preprint-index (een zeer tijdrovend werk, dat niet zomaar geautomatiseerd kan worden), enz. Idealiter natuurlijk verdwijnt iedere pre-print (en dan ook alle versies) zodra een artikel bij een tijdschrift is geaccepteerd. Dit is echter in deze systemen de verantwoordelijkheid van de auteur: als die niets doet, gebeurt er ook niets. Daarbij komt het probleem van het auteursrecht. Als uitgevers het auteursrecht opeisen van de werken die zij in hun tijdschriften afdrukken, kunnen zij eisen dat de versie op de "pre-print-server" verdwijnt of vervangen wordt door een bibliografische verwijzing. Op dit moment is er allerminst helderheid over de procedures en over de wettelijke aansprakelijkheid en rechten in dezen. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de uitgeverswereld in haar elektronisch restaurant bordjes met "Meegenomen etenswaren kunnen hier worden genuttigd" zullen hangen.
    Er zijn twee mogelijke uitkomsten: a) de uitgeverijen gaan gezamenlijk een systeem van pre-printarchieven onderhouden en verzekeren de gebruiker dat er geen duplicaties zijn en dat er een ordentelijke scheiding is tussen gecertificeerd en ongecertificeerd werk, of b) de organisatoren van deze archieven gaan zelf de ordening ter hand nemen en organiseren kwaliteitscontroles. In het laatste geval gaan zij gewoon als uitgever opereren en positioneren zich als directe concurrenten van de bestaande uitgeverijen. In dat geval zal een situatie van normale concurrentie op alle functies van de uitgeverij (zoals boven genoemd) ontstaan. Moge de beste winnen.
  5. Onderlinge discussies.
    In het begin van de wetenschappelijke revolutie, totdat op het einde van de 17e eeuw geregelde wetenschappelijke tijdschriften opkwamen, bestond het merendeel van de wetenschappelijke informatieoverdracht uit het rondzenden van brieven of het zelf opzoeken van andere onderzoekers. Deze brievencultuur, ook wel de "republic of letters" genoemd, was erg ontwikkeld. Brieven werden vertaald, gekopieerd en voorgelezen op bijeenkomsten van wetenschappelijke genootschappen. Vaak werden ze, nog tijdens het leven van de auteur, gebundeld als boek uitgebracht. Door het wetenschappelijke tijdschrift is deze brievencultuur erg in de verdrukking geraakt. De maatschappelijke druk om meer en vaker te publiceren in officiële tijdschriften is hier zeker debet aan. Het reizen heeft tegenwoordig veel meer de vorm van conferentiebezoek gekregen. Dit persoonlijke onderlinge contact is echter nog steeds essentieel om elkaar te begrijpen en van elkaars werk te leren.
    Met het volwassen worden van elektronische post zien we echter de oude brieven cultuur op een hoger niveau terugkomen. Twee of meer geografisch compleet gescheiden auteurs kunnen moeiteloos samen aan een artikel werken, losse informatie, kleine weetjes of een referentie kunnen moeiteloos worden opgevraagd aan een groot aantal collega's, waar ook te wereld.
    Op dit niveau zijn we de grijze wereld werkelijk binnen getreden. Aan de ene kant is alle communicatie er op uit om uiteindelijk een gecertificeerde witte publikatie te krijgen, aan de andere kant is alle informatie nog diffuus, zoekend en onaf. Het is echter de moeite waard om de historische parallel serieus te nemen. De wetenschappelijke genootschappen ontstonden mede om de versnipperde informatie en discussies enigszins te coördineren. Brieven tussen collega's bleken ook voor een grotere kring van vakgenoten interessant, vandaar dat zij werden voorgelezen. Binnen de netwerkcultuur zien wij dergelijke structuren ontstaan in de "bulletin boards" of nieuwsgroepen en met name in de zogenaamde gemodereerde lijsten. In deze lijsten wordt niet zomaar alles wat opgestuurd wordt aan iedere abonnee rondgestuurd, maar wordt er eerst door een redacteur (meestal) marginaal getoetst of een en ander wel "to the point" is.
    In principe is natuurlijk de verzameling, beoordeling en certificatie van lopende discussie niet zoveel anders dan wat er gebeurt (in rigoureuze vorm) bij wetenschappelijk publiceren. Wetenschappelijke tijdschriften in hun elektronische vorm zouden op natuurlijke wijze, op het niveau en binnen de cultuur van het tijdschrift, (pre-publicabele) discussies kunnen entameren over de in het tijdschrift behandelde onderwerpen. Op dit moment bestaan er wel nieuwsgroepen die gekoppeld zijn aan tijdschriften, maar aangezien de overgang van papieren naar elektronisch medium net begonnen is, is het elektronisch discussiëren (over een papieren produkt) geen natuurlijke activiteit. Ik stel me dan ook voor dat in de toekomst de uitgeverij niet alleen de organisatie van de openbaarmaking van de uiteindelijke gecertificeerde wetenschap ter hand neemt, maar ook delen van het voortraject. Het tijdschrift, dat nu vaak al een bindende factor binnen een vakgebied is, zal dan uitgebreid worden tot een breder platform waarbij de discussies over de onderhavige onderwerpen, de pre-prints over het onderwerp en de uiteindelijke definitieve resultaten gestructureerd en gevalideerd naast elkaar bestaan. Geheel in stijl met de steeds mondiger wordende burger, zal het uitgeefrestaurant nu ook de mogelijkheid tot participerende kooklessen op haar menu hebben.

Slotopmerkingen

In het bovenstaande heb ik geprobeerd aan te geven dat het probleem van de grijze literatuur sterk gebonden is aan de stand van de techniek. Beschikbaarheid in gedrukte vorm is een arbeidsintensieve en ruimtevretende zaak. Met het beschikbaar komen van alle soorten informatie in digitale vorm verdwijnen er enorme blokkades op het gebied van opslag, transport en logistiek. Het echter goed te beseffen dat dit soort automatisering zeker niet noodzakelijk goedkoper is, de reductie van klassieke kostenposten verhindert niet de introductie van nieuwe. Alle informatie kan nu technisch zeer gemakkelijk in alle uithoeken van onze beschaving opgevraagd, verkregen en bewerkt worden. Dit betekent dat meer dan ooit de fundamentele functies van de uitgeverij als de organisator van de materiaalbewerking, de kwaliteitscontrole en de integriteitsbewaking, op de voorgrond gaan treden. Vooral op het gebied van structurering, waardoor oorspronkelijk niet relateerde informatie toch samenhangend door een gebruikersgroep kan worden opgevraagd, ligt nog veel werk. Een deel van de bibliotheekfuncties, zoals de ontsluitings- en archiveringsfunctie gaan dan ook met de uitgeeffuncties vervloeien. De verhouding uitgever-bibliotheek zal dan ook veranderen.

Wat betreft grijze literatuur zal veel opklaren. De directe koppeling van door uitgevers gecertificeerde en hoogwaardige rapport- en proefschriftliteratuur, alsmede serieuze databestanden zal hand over hand in betekenis gaan toenemen. Deze thans grijze gebieden zullen in de loop der jaren gewit worden. Echt interessant wordt het als de uitgeverij, als informatiemakelaar, ook de helpende organiserende hand gaat bieden in het onderzoeks- en vormgevingstraject dat vooraf gaat aan de "officiële" publikatie.

Gerelateerde literatuur.



URL: http://www.wins.uva.nl/projects/comm/papers/grijs.htm




Back to the Communication in Physics Project home page with frames
or without frames .


Contact webmaster@phys.uva.nl if you have problems with the server.
Last modifications on: 12-9 1996